Erfgoed / Geschiedenis

EEN GESCHIEDENIS RIJK AAN GEBEURTENISSEN

> De cisterciënzer abdij van Alba Ripa, opgericht in het jaar 1135 door 12 monniken afkomstig van de abdij van Clairvaux heeft vele grote bewegingen in onze geschiedenis gekend. Hij was voorbestemd om grote namen te huisvesten, allen op hun eigen manier verbonden met hun tijdperk.

> Het bewijs van de aanwezigheid van St Bernard, een product van een grote monachale beweging uit de XIIe eeuw, manifesteert zich binnen deze muren in de typerende architectuur van het tijdperk van Bernard. Een abdij met platte peluwen richting het oosten, een oostelijke vleugel voor de koormonniken, een westelijke vleugel voor de lekenbroeders en een noordelijke vleugel voor de gemeenschappelijke activiteiten.

> De geografische ligging is eveneens typerend voor de cisterciënzer beweging: een geïsoleerd terrein waar watermanagement essentieel is voor de vestiging en het leven van de gemeenschap. Feitelijk is de regel van St Benoît die de consumptie van vlees verbiedt de aanzet geweest voor de cisterciënzer monniken om zich te oefenen in de viskunst. In Auberive kanaliseerden de monniken de Aube over een afstand van 1 km. Het kanaalsysteem dient enerzijds als aanvoer voor schoon water en anderzijds als afvoer voor gebruikt water, en dient verder als waterloop voor de molen zodat ze volledig autonoom konden leven.

> In de XIIIe eeuw kent de abdij, het 24ste dochterhuis van Clairvaux haar welvarendste periode met het bezit van 4 huizen, 14 molens, 13 vijvers, 11 hoeven, een ijzermijn en een zoutmijn.

> Over de XIVe en Xve eeuw bestaat weinig documentatie. Het is bekend dat de abdij te lijden heeft gehad van de 100-jarige oorlog, de kudde van 2450 schapen in 1386 telt er in 1418 nog slechts 600. De abdij is gedwongen het merendeel van haar bezittingen te verpachten wegens een gebrek aan lekenbroeders.

> De XVIe eeuw markeert het begin van het vruchtgebruik van beneficie. In 1516 verwerft François Ie tijdens het concordaat van Bologne de macht om het recht van vruchtgebruik uit te oefenen dat sinds de XIVe eeuw in handen was van de paus. De koning benoemt de commanditaire abts, religieus of leek, die een deel van de beneficiën van de abdij verkrijgen.

> Auberive ontspringt de dans niet en zal tussen 1519 en 1791 14 commanditaire abts kennen. De eerste, Louis van Rye, laat het abdijpaleis bouwen buiten de muren van het klooster: zijn architectuur, met de ramen met vensterroedes is kenmerkend voor de eerste helft van de XVIe eeuw.

> Dit is tevens de eeuw van de religieuze oorlogen. Auberive wordt tot twee keer toe geplunderd, in 1567 en in 1587 en kan met moeite een inkomen genereren.

> De XVIIIe eeuw markeert de wederopbouw van de gebouwen en het eind van de cisterciënzer abdij. Twee bouwcampagnes verlenen de abdij zijn hedendaagse voorkomen: tussen 1750 en 1770 worden de westelijke en noordelijke vleugels gereconstrueerd. De XIIe abdij wordt afgebroken (behalve het koor) en wordt parallel aan de oostelijke en westelijke vleugels weer opgebouwd gericht op het Noorden/Zuiden.

> De westelijke vleugel wordt omgedoopt tot gastenvleugel, en krijgt het aanzicht van een kasteel door de monumentale klassieke stijl. Bovendien worden de bruggen over de Aube gerestaureerd, evenals de waterloop van de molen en de duiventil. Tussen 1781 en 1787 wordt de oostelijke vleugel opnieuw gebouwd volgens de architectonische plannen van Buron en om wateroverlast te voorkomen verhoogd.

> In 1790 verdwijnen de kloosterordes. De 8 monniken van de abdij vertrekken begin 1791, het domein wordt als nationaal goed verkocht. Caroillon van Vandeul, de schoonzoon van Diderot, koopt de gebouwen en vestigt tussen 1797 en 1807 een katoenweverij in de oostelijke vleugel. Maar de werkzaamheden nemen af en de familie Vandeul verbouwt de abdij daarom tot woning. Eén van hun meest gedenkwaardige beslissingen is het plaatsen van het Jean Lamour hekwerk aan de hoofdingang dat afkomstig is van de abdij van Beaulieu.

> Na het overlijden van zijn ouders verkoopt de zoon van Vandeul de abdij aan de meestersmid Bordet. Deze laatste ontmantelt de XVIIIe eeuwse abdij om deze om te toveren tot een hoogoven op 6 km, op de genoemde « La Tuillière ». Hij vergroot de molen om er een orangerie van te maken.

> In 1856 herstelt de abdij de betrekkingen met de voormalige abdij van Clairvaux. Om de gevangenis van Clairvaux te ontlasten koopt de staat de abdij om er een vrowengevangenis van te maken. De meest bekende vrouwelijke gevangene is de communarde Louise Michel, die gedurende 20 maanden gevangen zat (december 1871 tot augustus 1873) alvorens ze gedeporteerd werd naar Nieuw Caledonië.

> De abdij bestaat uit twee delen: de omringende muren zijn versterkt, er is een polyvalente kapel gebouwd en er zijn strafcellen aangelegd in de oostelijke vleugel.

> Tussen 1885 en 1891 krijgt de abdij de functie van industriële kolonie voor minderjarige delinquenten, en daarna, van 1894 tot 1924, wordt het een agriculturele kolonie voor jongemannen. De tijd wordt overdag verdeeld tussen landbouwwerkzaamheden en basisonderwijs.

> Tussen 1925 en 1960 krijgt de abdij opnieuw een religieuze leider in de persoon van Monseigneur Ghika die de St Jean gemeenschap sticht teneinde tegenspoed te verlichten en hen die geroepen worden te ondersteunen, ook wanneer dit laat in het leven is. Helaas vervallen de gebouwen aan de benedictijnen van de Source de Paris wegens gebrek aan middelen.

> Tijdens de Tweede Wereldoorlog wordt de abdij gevorderd, en restaureren de benedictijnen de peluw en het klooster. In 1960 wordt de abdij verkocht aan de firma Solvay om dienst te doen als vakantieoord voor kinderen van hun personeel totdat de familie Volot het in 2004 opkoopt om er een cultureel centrum van te maken.